Protocol
Toedienen van
sondevoeding d.m.v. Voedingspomp
Let op!
De handeling mag alleen
worden verricht door een bevoegd persoon en in opdracht van een arts.
Doel
- Het voorkomen (of verbeteren) van (reeds opgetreden) complicaties van ondervoeding door verbetering van de voedingstoestand,
of
- Het op peil houden van de voedingstoestand tijdens een (kritische) ziekteperiode met een te verwachten herstel.
-
Alvorens overgegaan wordt tot of gestart wordt met het geven van
voeding via een maag-neussonde / voedingkatheter,
vindt er overleg plaats tussen de arts, cliëntbegeleider, cliënt en / of diens
wettelijke vertegenwoordiger en andere teamleden.
-
De arts besluit, na overleg en indien daartoe aanleiding is, tot het
voorschrijven van een voedingswijze via
de voedingspomp.
Als het noodzakelijk is dat de voeding met een (lage) constante snelheid inloopt kan er tevens besloten worden tot het gebruik van een voedingspomp.
Zo’n constante snelheid is
bij voorbeeld nodig als:
-
Het uiteinde van de sonde in de dunne darm ligt,
-
Als er een (te) trage maag/darm werking is,
-
Er sprake is van moeilijk instelbare diabetes,
-
Er sprake is van nier- en / of hartinsufficiëntie.
-
De diëtist stelt een advies op over de samenstelling, hoeveelheid en
opbouw van deze voeding(-swijze).
-
Bij afwezigheid van de diëtist adviseert de arts, met behulp van een
opbouwschema.
-
De cliëntbegeleider vult, indien aanwezig, een voedingplanformulier
in met betrekking tot sondevoeding, na / in overleg met de diëtist.
-
De cliëntbegeleider bestelt:
-
De voorgeschreven voeding.
-
De overige materialen.
-
Indien niet aanwezig een voedingspomp.
-
Zie ook indien van toepassing:
-
Protocol mondverzorging
-
Protocol inbrengen van neus / maagsonde
-
Protocol inbrengen gastrostomiekatheter
-
Protocol medicijnen toedienen via een voedingssonde / katheter
-
Protocol omgaan met sondevoeding
- In principe wordt alle voeding tussen 07.00 en 21.00 uur gegeven ( dus volgens normaal dag / nachtritme). Als de inloopsnelheid erg laag is, is dit niet haalbaar en moet er uitgerekend worden waar een pauze ingelast kan of moet worden (bijv. ten behoeve van verzorging en of activiteit). Zo mogelijk worden voeding en handelingen ten behoeve van wisseling van voedingsflessen gedurende de nacht vermeden.
-
Standaard of ophangrek
-
Flessenhouder
-
Schone 500 ml fles of container, waarin voorgeschreven voeding of een
fles met kant-en-klare voeding.
-
Voedingspomp
-
Toedieningssysteem: bijvoorbeeld Kangaroo
draaidop / spike
-
Let op: In Nederland heeft ieder
merk pomp een eigen toedieningsysteem. Deze toedieningsystemen zijn niet onderling uitwisselbaar.
-
10 ml à 20 ml Spuit
-
Kochertang of klemmetje
- Afsluitdopje of katheterstopje
- Stethoscoop
-
Doe sieraden af
-
Handen wassen
-
Zorg voor privacy
-
Vertel de cliënt het doel van de handeling en wat er gaat gebeuren, of
indien deze dit niet kan begrijpen: noem de naam van de cliënt en maak
duidelijk dat er iets gaat gebeuren.
-
Leg alle benodigdheden binnen handbereik op een dienblad.
-
Zet of leg de cliënt in de juiste houding (zittend / halfzittend)
-
Controleer of de sonde goed in de maag zit door ongeveer 5 ml lucht in
de sonde te spuiten en tegelijkertijd met de stethoscoop op het maagkuiltje te
luisteren, of zuig voorzichtig wat maagsap op
-
Controleer de voeding (soort, hoeveelheid en houdbaarheidsdatum).
-
Schud de voeding om gedurende ongeveer een halve minuut de fles om door
de fles om te zwenken
-
Spoel het toedieningsysteem om en sluit de rolregelklem.
-
Plaats de flessenhouder over de gevulde fles of plaats (indien van
toepassing) de container.
-
Plaats het toedieningsysteem (spike en caps) op de fles of container.
-
Keer de fles of container om en hang deze aan de standaard / haak.
-
Vul de druppelkamer voor 1/3 deel door er zachtjes in te knijpen.
-
Leg een bescherming onder het aansluitstukje van de sonde in verband
met mogelijk morsen van de voeding.
-
Open de rolregelklem en verwijder het afsluitdopje van het
toedieningsysteem.
-
Laat het toedieningsysteem vol lopen met voeding en sluit de
rolregelklem weer.
-
Raadpleeg de handleiding van de voedingspomp en plaats het systeem
volgens voorschrift in de voedingspomp.
-
Sluit het systeem aan op de sonde.
-
Start met de voedingspomp de toediening van de voeding volgens de
gebruiksaanwijzing. (Raadpleeg bij storingen en alarm de gebruiksaanwijzing).
-
Als de voeding doorgelopen is, de pomp stil zetten en het
toedieningsysteem van de sonde ontkoppelen en met een spuit 10 à 20 ml water
naspuiten in de sonde.
-
Sonde afsluiten en controleren of sonde nog voldoende gefixeerd zit.
-
Bij continu-voeding wordt echter direct na het doorspuiten de volgende
voeding op de hiervoor beschreven wijze aangesloten.
-
De cliënt (bij de naam noemen) vertellen dat de handeling klaar is.
-
Fles of container en toedieningsysteem direct doorspoelen met water
boven een schone (zo mogelijk aparte) spoelbak en hangend bewaren tot de
volgende voedingstijd (maximaal 24 uur gebruiken).
-
Noteer in het dossier (of ander afgesproken plaats) dat de handeling is
uitgevoerd, alsook eventuele bijzonderheden.
-
Obstipatie of diarree
-
Misselijkheid en / of braken
-
Verstopping van de sonde
-
Aspiratie van de voeding
-
Druk in de sonde (door bijvoorbeeld gasophoping en / of spasmen)
-
Mondproblemen.
Complicaties
moeten altijd in het zorgdossier worden opgeschreven en aan de arts te worden
gemeld.
Mag zelfstandig worden
verricht door
Verpleegkundige is bevoegd
Andere
zorgverleners als men
beschikt over een bekwaamheidsverklaring (afhankelijk van het beleid van de
organisatie waar men werkt)
Let op:
Het is de bedoeling met dit
protocol een bijdrage te leveren aan een goede,
verantwoorde en doelmatige zorg- en dienstverlening. Het protocol kan zo
nodig worden aangepast aan de individuele wensen van de cliënt, echter alleen
in opdracht van of met instemming van een arts.
Bij twijfel ten aanzien van de
uitvoering van dit protocol raadpleegt men de direct leidinggevende.
In situaties waarin dit
protocol niet voorziet, overlegt men met de opdrachtgever en/of de direct
leidinggevende.
Afwijken van dit protocol kan
soms noodzakelijk zijn, doch men zal afwijken van dit protocol te allen tijde
moeten kunnen motiveren. Dit protocol, hoewel richtinggevend, is slechts een
hulpmiddel en kan en mag nimmer de plaats innemen van het eigen denken en
handelen van de zorgverlener / ondersteuner.
De zorgverlener / ondersteuner
kent en neemt bij het hanteren van dit protocol zijn of haar eigen
verantwoordelijkheid.
Dit protocol is niet bestemd
voor particulier gebruik.
Auteur: D.Slagter, verpleegkundige
Publicatiedatum:
1 mei 2001
Laatste herziening: 07-03-2011
Disclaimer: De
auteur draagt geen enkele verantwoordelijkheid ten aanzien van het gebruik van
dit protocol. Raadpleeg zo nodig de arts.
Copyright © 2001 - 2012