De
handeling mag alleen worden verricht door een bevoegd persoon en in opdracht
van een arts.
Parenteraal
toedienen van medicijnen op steriele wijze, onder de huid.
Let op: Deze methode wordt bijna
niet meer toegepast in verband met de aanwezigheid van
kant-en-klaar-injectiespuiten (zie protocol daar)
De
arts kan zo nodig de gewenste maat van de naald en de te injecteren plaats
bepalen
Plaats
van injecteren kan zijn:
-
het bovenbeen
-
de bovenarm
-
de buik rond de navel
-
de bil
-
(hanteer het met de cliënt / arts overeengekomen wisselschema)
Injecteer
nooit in:
-
in de buurt van grote bloedvaten
-
littekenweefsel
-
plaatsen die ontstoken of pijnlijk zijn.
-
verlamde ledematen
-
ledematen met trombose of oedeem.
-
plaatsen met rode of blauwe verkleuringen.
-
een geopereerd of te opereren gebied
-
een hematoom
-
plaatsen die hard aanvoelen
-
binnen een cirkel van
-
binnen een omtrek van
-
een arm of been met een infuus of shunt
-
in arm of been
waarvan lymfklieren verwijderd zijn
Indien
men vergeet insuline te spuiten, raadpleegt men altijd eerst de arts.
-
Dienblad
-
Bekkentje
-
Wattenbolletje
-
Alcoholdoekje
-
Pleister
-
Opzuignaald
-
Inspuitnaald
-
De lengte van de naald hangt af van de techniek die wordt gebruikt:
-
Bij loodrechttechniek wordt een kortere naald gebruikt (8 -
-
Bij de huidplooitechniek wordt een iets langere naald gebruikt (15 -
-
Spuit
-
Injectievloeistof
-
Naaldencontainer
-
Doe sieraden af
-
Handen wassen
-
Zorg voor privacy
-
Vertel de cliënt het doel van de handeling en wat er gaat gebeuren, of
indien deze dit niet kan begrijpen: noem de naam van de cliënt en maak
duidelijk dat er iets gaat gebeuren.
Leg uit dat het inbrengen van de naald pijn kan doen
alsook dat deze pijn is te verminderen door het betreffende lichaamsdeel te
ontspannen.
-
Leg alle benodigdheden binnen handbereik op een dienblad.
-
Kies de juiste naald en spuit
-
Controleer spuit en naalden op vervaldatum en op intacte verpakking
-
Controleer injectievloeistof op vervaldatum, juiste insuline, juiste
dosering, juiste concentratie en juiste naam van de cliënt. Lees altijd de
bijsluiter in verband met bijzonderheden van het medicijn.
-
Open verpakkingen spuit en opzuignaald.
-
Zet de naald op de spuit.
-
Maak de injectie klaar:
-
bij gebruik flacon:
a)
noteer op de flacon de aanprikdatum.
b)
desinfecteer de gummidop van de flacon met alcoholdepper.
c)
zuig zoveel lucht op in de spuit als de hoeveelheid vloeistof die er
uit gehaald gaat worden.
d)
spuit deze lucht in de flacon (bij voorkeur niet in de vloeistof in
verband met schuimen)
-
Zuig iets meer op dan de juiste hoeveelheid vloeistof.
-
Verwijder opzuignaald van de spuit en deponeer deze in de
naaldencontainer.
-
Verwijder de luchtbelletjes niet
uit de spuit
-
Controleer de juiste hoeveelheid vloeistof
-
Zet de inspuitnaald op de spuit
-
Leg in het bekkentje:
a) spuit met naald (met naald
in hoesje)
b) gebruikte flacon
c) pleister
d) naaldencontainer
-
Ga naar de cliënt.
-
Laat de cliënt liggen of zitten.
-
Bepaal nauwkeurig de plaats van injecteren:
-
Bij de huidplooitechniek: (een langere naald):
-
Steek de naald met de opening naar boven, onder een hoek van 45o in
de voet van een huidplooi, laat de huidplooi los. Controleer of de naald subcutaan
zit door deze voorzichtig heen en weer te halen (als de naald subcutaan zit
beweegt de huid niet).
-
Bij de loodrechttechniek (een kortere naald):
-
Steek de naald loodrecht onder een hoek van 90o in de huid.
-
Trek de zuiger iets terug om te controleren of men in een bloedvat zit.
Indien men in een bloedvat zit de naald verwijderen en opnieuw beginnen.
-
Spuit de insuline langzaam in.
-
Let op de reactie van de cliënt.
-
Verwijder de naald snel.
-
Druk de insteekopening af met het watje en wrijf richting hart.
-
Doe de naald zonder deze aan te raken in de naaldencontainer.
-
Plak zo nodig een pleister op de insteekopening.
-
Evalueer zo mogelijk de handeling met de cliënt.
-
Breng de cliënt in de voorafgaande situatie.
-
Ruim alles op.
-
Handen wassen.
-
Noteer in het dossier (of ander afgesproken plaats) dat de injectie
gegeven is.
-
Ontstekingen
-
Bloedinkjes
Complicaties
moeten altijd in het zorgdossier worden opgeschreven en aan de arts te worden
gemeld.
Verpleegkundige is bevoegd
Andere
zorgverleners als men
beschikt over een bekwaamheidsverklaring (afhankelijk van het beleid van de
organisatie waar men werkt)
Let op:
Het is de bedoeling met dit
protocol een bijdrage te leveren aan een goede,
verantwoorde en doelmatige zorg- en dienstverlening. Het protocol kan zo
nodig worden aangepast aan de individuele wensen van de cliënt, echter alleen
in opdracht van of met instemming van een arts.
Bij twijfel ten aanzien van de
uitvoering van dit protocol raadpleegt men de direct leidinggevende.
In situaties waarin dit
protocol niet voorziet, overlegt men met de opdrachtgever en/of de direct
leidinggevende.
Afwijken van dit protocol kan
soms noodzakelijk zijn, doch men zal afwijken van dit protocol te allen tijde
moeten kunnen motiveren. Dit protocol, hoewel richtinggevend, is slechts een
hulpmiddel en kan en mag nimmer de plaats innemen van het eigen denken en
handelen van de zorgverlener / ondersteuner.
De zorgverlener / ondersteuner
kent en neemt bij het hanteren van dit protocol zijn of haar eigen
verantwoordelijkheid.
Dit protocol is niet bestemd
voor particulier gebruik.
Auteur: D.Slagter, verpleegkundige
Publicatiedatum:
1 mei 2001
Laatste herziening: 07-03-2011
Disclaimer: De
auteur draagt geen enkele verantwoordelijkheid ten aanzien van het gebruik van
dit protocol. Raadpleeg zo nodig de arts.
Copyright © 2001 - 2012